Voor velen die de hele week binnen zitten is een dag op het platteland een ervaring die hen dichter bij God brengt, dan alle diensten die ze in de kerk zouden kunnen bijwonen.
Mijn vrienden sussen mij in slaap, maar mijn vijanden houden mij wakker.
(14) In het leven van werelden, volken, naties en individuen kan karma niet handelen tenzij er een toepasselijk instrument is dat geschikt is voor haar handeling.
(15) Tot zo’n toepasselijk instrument gevonden is, zal het karma dat erbij hoort niet tot uitdrukking komen. Path, march, 1893
Niet getreurd bij het afscheid nemen; Gedag zeggen is nodig voor nieuwe ontmoeting.
Voor hen die vrienden zijn, zal er in dit of een volgend leven altijd een nieuwe ontmoeting komen.
De macht van `Turkse' vrouwen
Op een megatentoonstelling in Brussel wordt Turkije als de bakermat van de westerse beschaving neergezet. Met de vrouw als constante, machtige figuur.
Adams Eva, de maagd Maria en de godin Venus zijn Turks. Nee, het is geen grap, het is waar. De drie aartsvrouwen van de westerse beschaving komen net als de blinde bard Homerus uit het land dat sinds de revolutie van Kemal Atatürk in 1923 Turkije heet, maar in de loop der millennia voortdurend van identiteit is veranderd. Voor ingewijden is het natuurlijk oud nieuws. Maar in het jaar waarin Turkije alles doet om tot de Europese Unie toegelaten te worden is het toch een belangrijke constatering, die erop wijst dat Turkije en Europa wel degelijk een gedeelde geschiedenis hebben. Voeg daaraan toe dat op Turkse bodem het christendom vanaf de vierde eeuw tot aan de val van Constantinopel in 1453 de staatsgodsdienst was en dan mag je er ook nog eens meer dan duizend jaar gedeelde christelijke waarden aan toevoegen. En om die waarden lijkt het bij het vaststellen van de geschiktheid van een land voor een EU-lidmaatschap volgens premier Balkenende tegenwoordig toch vooral te draaien.
De tentoonstelling Moeders, godinnen en sultanes. Vrouwen in Turkije van de prehistorie tot het einde van het Ottomaanse Rijk zou je daarom een geheim onderdeel van het Turkse diplomatieke offensief in Brussel kunnen noemen. Want in het Paleis voor Schone Kunsten wordt tot begin 2005 op overdadige en imponerende wijze die innige verwantschap tussen Europa en Turkije aangetoond. De hele westerse beschavingsgeschiedenis komt eraan te pas, van de prehistorie via de klassieke Oudheid tot in het moderne Turkije van Atatürk. In die ontwikkeling ligt bovendien de nadruk op de invloedrijke rol van de vrouw. Zíj is er de grote heldin. Je zou er bijna door vergeten dat het Turkse parlement onlangs bijna een wet aannam die overspel door vrouwen strafbaar wilde stellen.
....De rechtzinnige Brahmanen, diegenen die zich het meest verzetten tegen de Pantheïsten en Adwaiti’s en hen Atheïsten noemen, zijn, als Manoe hierin enig gezag heeft, gedwongen de dood aan te nemen van Brahmâ, de Schepper, bij de afloop van elke “Eeuw” dezer (scheppende) godheid (100 Goddelijke Jaren – een tijdperk, waarvan de uitdrukking in onze jaren 15 cijfers vereist). En toch zal geen wijsgeer onder hen deze “dood” in enige andere zin beschouwen dan als een tijdelijke verdwijning van het geopenbaarde gebied van bestaan of als een periodieke rust.
De Occultisten zijn het daarom, wat het bovenstaande leerstuk aangaat, eens met de Adwaita Vedantijnse wijsgeren. Zij toonden op wijsgerige gronden de onmogelijkheid aan om het denkbeeld aan te nemen, dat het volstrekte Al het “Gouden Ei” schept of zelfs evolueert, waarin men zegt, dat het intreedt om zich in Brahmâ, de Schepper, te veranderen, die zich later uitzet tot de goden en het ganse zichtbare Heelal. Zij zeggen, dat Absolute Eenheid niet in oneindigheid kan overgaan, want oneindigheid vooronderstelt de onbegrensde uitstrekking van iets, en de voortduur van dat “iets”; en het Eene Al is evenals de Ruimte – die het op deze Aarde of ons gebied van bestaan alleen verstandelijk en stoffelijk vertegenwoordigt – noch een voorwerp voor, noch een onderwerp tot waarneming. Indien men kon veronderstellen, dat het Eeuwige, Oneindige Al, de Alomvertegenwoordige Eenheid, in plaats van in Eeuwigheid te zijn, door periodieke openbaring een samengesteld Heelal of een veelvoudige Persoonlijkheid werd, zou die eenheid ophouden er een te zijn. Locke’s denkbeeld, dat “zuivere Ruimte in staat is tot weerstand noch Beweging” – is onjuist. Ruimte is noch een “onbegrensde leegte”, noch een “beperkte volheid”, maar beide: daar zij, op het gebied van absolute abstractie, de immer onkenbare Godheid is, die slechts voor het eindige denkvermogen leegte is, en op dat van mayavische waarneming de Volheid, de absolute Bevatter van al wat is, hetzij geopenbaard of ongeopenbaard; zij is derhalve dat Absolute Al. Er is geen verschil tussen het “In Hem leven wij en bewegen wij en zijn wij” (p. 9) van de Christelijke Apostel, en het “Het Heelal leeft in, komt voort uit en zal terugkeren tot Brahma (Brahmâ)” van de Hindoe Rishi; want Brahma (onzijdig), het ongeopenbaarde, is dat Heelal in abscondito (verborgen), en Brahmâ, het geopenbaarde, is de Logos, mannelijk-vrouwelijk gemaakt in de symbolische rechtzinnige dogma’s. De god van de Apostel-Ingewijde en van de Rishi is zowel de Onzienlijke als de Zichtbare Ruimte. Ruimte wordt in de esoterische symboliek de “Zevenhuidige Eeuwige Moeder-Vader” genoemd. Van haar onversplitste to haar versplitste oppervlakte is zij samengesteld uit zeven lagen.
“Wat is het, dat was, is en zal zijn, hetzij er een Heelal is of niet, hetzij er goden zijn of niet?” vraagt de esoterische Zenzarsche Catechismus. En het gegeven antwoord is RUIMTE.
Het is niet de Eene Onbekende, immertegenwoordige God in de Natuur of de Natuur in abscondito, die verworpen wordt, maar de God van het menselijk dogma en zijn vermenselijkt “Woord”. De mens vormde het in zijn eindeloze verwaandheid en ingeboren hoogmoed en ijdelheid zelf met zijn heiligschennende hand uit de bouwstof, die hij in zijn eigen kleine hersenkas vond, en drong het op aan de mensheid als een onmiddelijke (p.10) openbaring van de ene ongeopenbaarde RUIMTE. De Occultist neemt aan, dat openbaring komt van goddelijke, maar toch nog eindige Wezens, de geopenbaarde levens, nooit van het Onopenbaarlijke Ene Leven; van die Wezens die de Oer-Mens, Dhyani-Boeddha’s of Dhyan-Chohans genoemd worden, de “Rishi-Prajâpati” der Hindoes, de Elohim of “Zonen van God”, de Planeetgeesten van alle volkeren, die goden zijn geworden voor de mensen. Hij houdt ook de Adi-Sakti – de onmiddellijke uitstraling van Moelaprakriti, de eeuwige Wortel van Dat, en het vrouwelijk aanzicht van de Scheppende Oorzaak, Brahmâ, in haar Akashische Ziel – wijsgerig voor een Maya en oorzaak van de menselijke Maya. Maar deze beschouwing belet hem niet te geloven in haar bestaan zolang als dit duurt, namelijk gedurende één Mahamanvantara, en evenmin om Akasha, de uitstraling van Moelaprakriti, toe te passen op praktische doeleinden, daar de Wereld-Ziel in verband staat met alle natuurverschijnselen, die bekend of onbekend zijn aan de wetenschap.
(p. 198) In een onlangs gepubliceerd interview stelde Alan Wallace de vraag hoe efficient de verbreiding van de dharma in het Westen tot nu toe is geweest. Een taboe-onderwerp! Wat ooit in Tibet mogelijk was, waar in de loop van eeuwen iedere generatie haar eigen reeks van verwerkelijkte meesters opleverde, lijkt in het Westen onmogelijk te zijn. Ligt dit aan ons? zo vraag hij. Of ligt het aan de Tibetaanse goeroes? Of moet de leer, die afgestemd is op de Tibetaanse geest, voor het Westen worden getransformeerd? Niemand die op dergelijke vragen het antwoord schijnt te weten.Aangezien theosofen graag onderling discussieren is het volgende over de Gelugpa orde relevant (en het artikel van Muriel Daw dat recent in Theosofia gestaan heeft en dat hierboven gelinkt wordt, geeft aan dat de theosofen wat hun spirituele stamboom betreft afstammen van de gelugpa).
Juist daarom, zo betoog ik, kunnen en moeten westerse boeddhisten de in dit boek beschreven Tibetaanse meesters die tot nog maar enkele jaren geleden onder ons hebben geleefd tot voorbeeld nemen. Zij hebben met grote volharding de dharma van de grond af aan geleerd, beoefenden meditatie en verwerkelijkten in een doorlopend proces van geestelijke groei, waarin hun inzicht in de dharma zich steeds verdiepte, uiteindelijk de leegte - het besef dat alle dingen onwezenlijk (dus leeg) zijn. Mededogen was de grondslag van hun leven en werk - en juist dit verbindt hen met de Verlichten en heiligen van alle tijden en religies.
(blz. 102) Het dispuut heeft bij de gelugpa's een eeuwenoude traditie en vind twee keer per dag plaats op de grote kloosterbinnenplaats in de open lucht, waarbij de stemmen luid worden verheven en er vaak heftig wordt opgesprongen. Het was voor de jonge monniken, die niet aan sport mochten doen, de enige mogelijkheid om stoom af te blazen. Elk gebrek aan kennis wordt hierbij genadeloos aan de kaak gesteld. Dit motiveert de studenten niet alleen om beter te leren, maar heeft ook in de loop der jaren een vormende invloed op het karakter en voorkomt het ontwikkelen van superioriteitsgevoelens en misplaatste trots op de eigen prestatie, want vroeg of laat overkomt het hen allemaal.- betaalde ceremonien
(blz 101) De gelug-stroming is in feite een gesloten systeem dat zowel meditatiepraktijk als een praktijk voor het dagelijks leven omvat en berust op verstandelijk inzicht. Zij hecht grote waarde aan bestudering van geschriften; het contemplatief denken of de rechstreekse meditatieve ervaring komt ... op de tweede plaats.
Er zijn vijf zintuigen: zien, horen, ruiken, smaak en tastzin. De zintuigen om te zien en te horen zijn de belangrijkste, en van deze twee is het gezicht het belangrijkst. De tastzin wordt waargenomen door middel van de huid, die het aarde element vertegenwoordigt, en is gevoelig voor koude en warmte. De smaak wordt waargenomen door middel van de tong, die het water element vertegenwoordigt; alle zoute, zure en zoete, scherpe en bittere smaken worden erdoor onderscheiden. De reukzin wordt waargenomen door middel van de neus, het kanaal van de adem, die alleen de geuren en luchten kan waarnemen. Het gehoor vertegenwoordigt het element lucht en wordt waargenomen door middel van de oren. Het gezicht vertegenwoordigt het ether element en wordt waargenomen door middel van de ogen, die in dit stoffelijke lichaam de plaatsvervangers van de ziel zijn.
Ieder zintuig heeft twee aspecten: Jelal en Jemal, de sterke en de gevoelige aspecten van het leven, die worden vertegenwoordigd door de rechter en linker kant, in hun expressieve en responsieve uitdrukkingsvermogen. Daarom zijn er twee ogen, hoewel het gezichtsvermogen één zintuig is; het gehoor is één zintuig, maar er zijn twee oren; de reuk is één zintuig, maar er zijn twee neusvleugels. Zo is het met ieder zintuig. Het is dit tweeslachtige aspect in de natuur die de onderscheiding van seksen heeft veroozaakt, want in de geest is de mens menselijk, maar als hij de oppervlakte nadert wordt hij òf mannelijk òf vrouwelijk. De mythe van Adam en Eva geeft aan het volgende uitdrukking voor degenen die weten: Eva die uit Adams rib komt betekent dat die twee uit één Geest kwamen.
In werkelijkheid is er maar één zintuig, en het is de richting van zijn ervaring die wordt waargenomen door een specifiek kanaal. Omdat dit zo is, is iedere ervaring anders. Daarom mogen we dit zintuig de vijf zintuigen noemen, hoewel het in werkelijkheid één is.
Het zintuig dat bij het element in iemands natuur hoort dat overheerst, is het zintuig dat het meest actief is. En omdat de adem zo vaak gedurende de dag en de nacht verandert, verandert zijn element ook in overeenstemming met de zintuigen. Dit is de oorzaak van iedere vraag van de zintuigen. Wie een bepaald zintuig koestert, maakt dat zintuig lui, net als attar die je de hele tijd vlak bij je houdt uiteindelijk de reukzin afstompt, hoewel het je verslaafd maakt aan de geur van attar. Hetzelfde is het geval met alle zintuigen. Daarom ervaart de Soefi het leven door middel van de zintuigen vanwege de ervaring en niet om te genieten. Het eerste is meesterschap, het tweede slavernij.
"En zeg tegen de gelovige vrouwen, dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken, en hun sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is. En zij moeten hun sluiers over hun boezems dragen en hun schoonheid niet openlijk tonen, behalve aan hun echtgenoten, of hun vaders, of de vaders van hun echtgenoten, of hun zonen, of de zonen van hun echtgenoten, of hun broeders, of de zonen van hun broeders, of de zonen van hun zusters, of hun vrouwen, of hun slavinnen waarover zij beschikken, of mannelijke helpers die geen begeerte meer hebben, of de kinderen die nog niet op de 'Aurat' van vrouwen letten.". Soerah An Nôer (soerah 24), vers 34
Hierbij is het echter weliswaar duidelijk dat de boezem bedekt dient
te worden (wat niet meer dan normaal is, in de meeste omstandigheden),
maar wordt over het gezicht en het haar verder niets gezegd. Er wordt
zelfs gezegd 'behalve wat daarvan zichtbaar is' als het om hun
'sierraad' gaat. Een textuele uitleg die hier verder op in gaat is
gevonden in de eerste link.
Op een site die de Hijaab (dus de sluier) verplicht stelt, word de
Hadith (overgeleverde woorden van Mohammed) gebruikt om de details in
te vullen, terwijl bovenstaande citaat gebruikt wordt om de grote lijn
aan te geven. Maar juist de waarde van de Hadith wordt door andere
sites (zie laatste bron) weer betwijfeld.
Een westerse manager gaat naar India om oosterse wijsheid op te doen. Hij komt in een ashram en de guru vertelt hem dat hijzelf god is en dat god alles is. De manager gaat weg, denkend het goed begrepen te hebben. Hij is god, en god is alles. Al lopende komt hij een olifant tegen, met daarop een rijder. Ze komen recht op hem af. De manager denkt: ik ben god, ik wil niet dat de olifant over mij heen loopt, dus dat doet hij niet. Ondertussen waarschuwt de rijder voortdurend, al roepend, dat de olifant eraan komt: Opzij! Opzij! Maar de manager maakt zich geen zorgen en wordt dus onder de voet gelopen. Zwaar gekneusd en met vele botbreuken komt hij in het ziekenhuis terecht. Als hij genoeg hersteld is om ontslagen te worden, strompelt hij in zijn loopgips terug naar de guru. Hoe kan dit nou, ik ben toch God? Jawel, maar waarom luisterde je niet toen God riep dat je opzij moest gaan?