Hermes7


April 2005, #15


Inhoud

Van de redactie
Nieuw op Katinka Hesselink Net (in het Nederlands)
Overleidensbericht: Henk Spierenburg, Katinka Hesselink
Korte citaten
Volmaakte eenvoud
Bij de spiritisten in Alkmaar, Mary Heijboer
Einstein kon niet metselen

Van de redactie


Nieuw op Katinka Hesselink Net (in het Nederlands)


Korte citaten

Gezegden over karma, W.Q. Judge

(23) Drie aspecten worden door karma gebruikt in elk wezen om tot uitdrukking te komen: (a) het lichaam en de omstandigheden; (b) het denken en het intellect; (c) de psychische en de astrale velden.

(24) Karma uit het verleden of heden kan elk, of beide tegelijk, tot uitdrukking komen in de drie velden van karmische handeling. Ook is het mogelijk dat tegelijkertijd in elk veld een andere klasse van Karma zich uit dan in de andere.

Cho Cin Chang

Geen lach, geen zegen.

The Theosophist, Volume I, september, 1880, p. 300 [vrij vertaald]

Het is makkelijk advies te geven, maar hoe moeilijk is het niet onder soortgelijke omstandigheden dat zelfde advies te ontvangen? We twijfelen zo zelden aan dat wat wij als waar accepteren, en dus denken we dat zij die niet met onze ogen kijken, allen ongelijk hebben.


Hendrikus Johannes Spierenburg (1934-2005)

Katinka Hesselink, Jantine Spierenburg-Hos

Henk Spierenburg was een uniek figuur in de Theosofische Beweging in Nederland. In het buitenland was hij vooral bekend om de boeken die de afgelopen 20 jaar van zijn hand verschenen, gebaseerd op het werk van H.P. Blavatsky. In het Nederlands taalgebied was hij ook bekend als een spreker die alle theosofische organisaties van binnenuit kende: hij gaf lezingen voor hen allen. Ik weet van geen ander theosoof die zozeer in alle theosofische geledingen gerespecteerd werd en welkom was. De theosofische zaak ging voor sektarische verschillen.

Levensloop

Henk Spierenburg werd geboren 24-01-1934 in een communistisch arbeidersgezin in Den Haag. Zijn vader was stratenmaker en had een kleine aannemerij, waar Henk toen hij wat ouder werd de administratie voor gedaan heeft. De Tweede wereldoorlog drukte een groot stempel op zijn kindertijd. Na de lagere school volgde hij de LTS, zoals destijds in die kringen gebruikelijk. Hij werd instrumentmaker.

Op 15-jarige leeftijd, september 1949, gaat hij voor het eerst aan het werk. Dat was, zoals in die tijd gebruikelijk, een 48-urige werkweek en onbetaald overwerk. Hij kwam als burgerambtenaar in dienst bij het Ministerie van Marine (later Defensie) voor een loontje van 46 gulden per maand. Lange tijd werkte hij in een dienstonderdeel dat zich bezighield met het onderhoud en beheer van de Rijkszee- en Luchtvaartinstrumenten. Hij repareerde onderdelen, sleep lenzen en stelde spiegels bij o.a. periscopen van duikboten.

Om vooruit te komen bezoekt hij in de avonduren de avond-HBS. Direct na het werk door naar de avondschool, gewapend met een stapel boterhammen: tijd voor een warme maaltijd is er niet. Drie avonden school tot 10.00 uur s'avonds, en daarbij huiswerk. In die periode komt hij voor het eerst in aanraking met het werk van mevrouw Blavatsky. Dat zal hem zijn hele leven niet meer loslaten.

Zijn werk bij de Marine verandert langzaam van karakter, tot hij in januari 1968 ontslag neemt omdat hij werk gevonden heeft dat beter bij zijn instelling en aanleg past. Dit was een eenvoudige administratieve baan in deeltijd, om meer tijd te hebben voor de activiteiten die hem nader aan het hart lagen: studeren, lezingen houden en zorgdragen voor de maandelijkse uitgave van het tijdschrift Lucifer, dat hij met een aantal mensen had opgericht.   

Tegelijkertijd was hij actief bezig een aantal Jong Theosofen op te leiden - het "klasje" in Amsterdam. Hij hield veel lezingen, waaronder de destijds legendarische lezingencyclus "In de Ban van de Ring". In die hectische periode ontmoette hij zijn toekomstige vrouw. Ze vertelt dat ze met telegrammen naar Den Haag gesommeerd werd, waarbij hij haar envellopes met geld toe stuurde werden zodat ze zich de reis kon veroorloven.

Van kantoorklerk bij een verzekeringsmaatschappij, klom hij op tot “ICT-manager” (destijds heette dat anders). Hij was eindverantwoordelijk voor de automatisering van de polisadministratie. Tot drie keer toe heeft hij mislukte ICT-projecten mogen opruimen. Hij deed rekenwerk op hoog niveau binnen die wereld, zoals het maken van een prognose voor de overgang van een no-claim systeem naar een bonus/malus systeem in de wereld van de autoverzekeringen. Op zijn 60e ging hij met de VUT, zodat hij al zijn tijd en energie in de theosofie kon steken en vooral in het schrijven van boeken.  In die periode heeft in 1995 een bijzondere gebeurtenis plaatsgevonden - Henk ging een week naar Californië. Voor de mensen die hem goed kenden een heel bijzondere stap, want Henk reisde liefst helemaal niet. Amsterdam was al een wereldreis. De reden was dat hij ontzettend graag zijn Amerikaanse uitgever in Point-Loma wilde ontmoeten, de oude heer Emmett Small.

Het contact met deze uitgever heeft voor Henk veel betekend: eindelijk kon er werk van hem in boekvorm gaan verschijnen. De ondersteuning en correcties van Emmett Small bleven altijd zakelijk en gericht op een zo goed mogelijk boek, zonder de auteur beperkingen op te leggen. Tot aan de dood van Emmett Small is Henk voor zijn Engelstalig werk zijn uitgever dan ook zeer trouw gebleven. Toen de eerste boeken eenmaal uitgekomen waren, is hij voor Ankh-Hermes ook boeken gaan schrijven, meestal lichtere kost. (#)

Henk is overleden aan de gevolgen van een aanrijding door een fietser. In eerste instantie heeft hij zijn heup gebroken. In het ziekenhuis is er een pin in gezet. Deze pin is gebroken en de wond die daarbij ontstond is ontstoken. Aan die ontsteking is hij uiteindelijk op 5 maart 2005 overleden. Dit hele proces heeft ongeveer een maand geduurd. De crematie was op 11 maart.

Karakter

Henk was een bijzonder man, zonder respect voor ceremonieel, en met geen blad voor de mond. Hij werkte voor de zaak, niet voor personen. Zo weigerde hij op te draven voor Rukmini Devi die het Internationaal Theosofisch Centrum in Naarden leidde. Henk: “als ze vindt dat ze me moet spreken, wel, ik woon in Den Haag - in de Koninginnestraat”. Aan de andere kant was hij vrijgevig. Hij stond altijd op de bres voor de onderklasse – dak- en thuislozen kregen vrijwel altijd wat euro's toegestopt en in enkele gevallen heeft hij via zijn contacten het handelen van de politie t.a.v. zwervers aan de kaak gesteld (en gelijk gekregen). Naar theosofen toe was hij vooral vrijgevig met boeken, niet alleen aan ondergetekende (K. H.). Henk heeft zijn bibliotheek met rabbinica/Judaica aan een geestverwant overgedaan toen hij klaar was met dat onderwerp. Ook andere mensen heeft hij vaak boeken cadeau gedaan. Zijn criterium was: mensen helpen die er iets zinnigs mee kunnen doen en die niet over al te ruime middelen beschikken. Hij had zelf te veel de last en frustratie ervaren van de financiële beperkingen voor de dingen die hij wilde doen, of de boeken die hij wilde kopen.

Henk was zo weinig aan decorum dat het nu, na zijn dood, moeilijk te achterhalen is wat voor diploma’s hij nu eigenlijk gehaald heeft. (%) Voor iemand van zijn generatie leverde hij een grote bijdrage aan het huishouden. Hij heeft altijd zijn eigen strijkwerk gedaan en koken deden Henk en Jantine om en om. Hij zal gemist worden.

Voetnoten

(#) Lijst met boeken van zijn hand:

Point Loma Pubications

–    H.P. Blavatsky on the Gnostics (1994)
–    The Vedanta Commentaries of H.P. Blavatsky (1992)
–    The Veda Commentaries of H.P. Blavatsky (1996)
–    The Buddhism of H.P. Blavatsky (1991)
–    The Inner Group Teachings of H.P. Blavatsky (1985, 1995)
–    Astrology of a Living Universe, Helena Blavatsky’s Visionary Philosophy of the Seven Sacred Planets (1997)
–    The New Testament Commentaries of H.P. Blavatsky (1987)
–    T. Subba Row Collected Writings (Volume 1: 2001; Volume 2: 2001/2002)

Ankh Hermes

–    De Philonische Geheime Leer, De Kabala van Philo van Alexandrië (2001)
–    Avadhuta Gita (1998)
–    De Pelgrimstocht van de Ziel, Een Oud-Syrische Vertelling (1998)
–    Over 25 Incarnaties van de Dalai Lama (2000)
–    De Nag Hammadi Geschriften (registers) (2004)

Uitgeverij van de Theosofische Vereniging

–    Studies in de Bhagavad Gita, T. Subba Row (index en historisch overzicht) (1999)

Hij heeft vanaf de jaren 60 tijdschriftartikelen geschreven. Veel daarvan zijn nu moeilijk te vinden. In eerste instantie kwamen die vooral in zijn eigen tijdschrift Lucifer (jaren 60/70) terecht. Vervolgens heeft hij bijgedragen aan Kleintje Muurkrant (kraakbeweging), Theosofia (Theosofische Vereniging) en Theosophical History (onafhankelijk theosofisch tijdschrift).

(%) De papieren zijn nog niet gevonden in de nalatenschap. Hij studeerde niet omdat hij die titels zo graag wilde, maar omdat het de enige manier was om in de academische wereld serieus genomen te worden. Zo haalde hij een doctoraal wiskunde. Bij de Jezuïeten heeft hij een opleiding gevolgd en een geschrift afgeleverd (*). Dat leverde de titel van Magister (Mag.) op, maar die heeft hij eigenlijk nooit gebruikt. Deze titel is equivalent met Drs. Hij had ook een Ingenieurs titel (Ing.). Daarvoor is een wat ongebruikelijke weg bewandeld via het register van ingenieurs, waarschijnlijk met hulp van zijn werkgever - voor zover zijn weduwe weet moet dat in de Marinetijd geweest zijn. Hij heeft Grieks en Sanskriet geleerd met behulp van privé-les.

(*) De 45 voorchristelijke messiassen (1966). Het moet ergens in de bibliotheek van het KUN liggen, maar pogingen om het tevoorschijn te toveren hebben gefaald en Henk had geen exemplaar meer.


Volmaakte eenvoud

uit: Krishnamurti, een biografie, door Pupul Jayakar.

Volmaakte eenvoud is het moeilijkste wat er bestaat...(Pupul Jayakar)

Krisnamurti's antwoord daarop: " Ja, als je werkelijk eenvoudig was, zou je van daaruit de hele complexiteit van het leven begrijpen. Maar wij beginnen bij het gecompliceerde en zien nooit de eenvoud. We hebben ons brein getraind om naar het ingewikkelde te kijken en daarvoor oplossingen te vinden. Maar de buitengewone eenvoud van de feiten zien wij niet."

Pupul: " Volgens de Indiase traditie zijn alle elementen uit geluid voortgekomen: de PANCH MAHA BHUTAS : Geluid dat terugkaatst en toch niet gehoord wordt."

Krishnaji: " Dat is het. Maar uiteindelijk zeiden volgens de Indiase traditie Boeddha en Nagarjuna dat de mens alles moet ontkennen. Nagarjuna ontkende alles, iedere beweging van de psyche. Waarom heeft men die weg niet gevolgd? Niet de wereld ontkennen-je kunt de wereld nu eenmaal niet ontkennen. Men heeft de wereld echter wel ontkend. Waarom heeft men de weg van het volledig ontkennen van het 'ik' niet gevolgd?"

Pupul: "Afstand doen is het ontkennen van het 'ik', in feite slaat afstand doen nooit op iets uiterlijks."

Krishnaji: " Afstand doen betreft het innerlijk. 'Hecht niet aan je lendedoek.' Ik denk dat wij in een net van woorden gevangen zitten. Wij leven niet met de feiten. Ik lijd en de manier om daar een eind aan te maken is niet wegvluchten in illusies. Waarom hebben de mensen dat niet onder ogen gezien en verandering in het feit aangebracht? Komt dat omdat wij met ideeen leven, met idealen-onwerkelijkheden?
Wij leven met de geschiedenis van de mensheid. Ik ben de mensheid en het 'ik' betekent eindeloze misere. Als je een eind wil maken aan die misere, moet er een eind komen aan het 'ik'."

Pupul: " Het is in feite het einde van tijd, nietwaar?"

Krishnaji: " Ja. Het einde van tijd-denken, dat wil zeggen luisteren zonder tussenkomst van woorden. Naar het universum zonder geluid luisteren. Een arts in New York zei dat de fundamentele vraag is of de hersencellen, die al eeuwen geconditioneerd zijn, een mutatie kunnen bewerkstelligen. Ik zei dat die alleen maar mogelijk is door te luisteren. Maar niemand is bereid totaal te luisteren. Als de mens werkelijk zou zeggen 'Ik moet vreedzaam leven', dan zou er vrede in de wereld zijn. Maar hij wil niet in vrede leven. Hij is ambitieus, arrogant, kleinzielig. En dus hebben wij het belang van dit alles gereduceerd tot een paar onbeduidende reacties. Realiseer jij je dat Pupul? Wij leiden zo'n onbeduidend leven- van hoog tot laag."

Het gesprek gaat verder over de betekenis van geluid en hij legt uit:

"Als je niet went aan de geluiden, de golven, de wind, de mensen om je heen, dan is geluid van uitzonderlijke betekenis. Dan hoor je alles telkens voor het eerst. Iemand zegt bijvoorbeeld, tijd en denken vormen de beweging waaruit het leven van de mens bestaat. Een simpel feit is meegedeeld. Kan ik daar nu naar luisteren zonder het geluid van de woorden? Dan pas zie ik de diepte van die uitspraak in en die raak ik niet meer kwijt. Ik heb haar in haar geheel beluisterd. Het heeft mij het feit doen inzien dat het zo is, en wat zo is, is altijd absoluut."


Bij de spiritisten in Alkmaar

Mary Heijboer, Theosofia, Juni, 1980, p. 90 (Uit de rubriek “Varia”)

Op uitnodiging van de Afde­ling Alkmaar van de Vereni­ging van Spiritisten "Harmo­nia" hield mijn man, R.J.Heijboer, onlangs een lezing over "Theosofie en de Theo­sofische Vereniging" in het gezellige zaaltje van de Odd Fellows in het Varnebroek. Wij werden er zo hartelijk ontvangen - alsof we "oude bekenden" waren - dat we ons in deze kring meteen thuis voelden. Ik breng deze bijeen­komst hier niet ter sprake om u een uittreksel te geven van de aldaar gehouden lezing, maar vanwege de geanimeer­de discussie na afloop. Tot goed begrip van wat volgt zij alleen vermeld, dat de spreker het spiritualistische klimaat schetste waarin de stichting van de TV plaatsvond en het betreurde dat beide bewegin­gen zo uit elkaar zijn ge­groeid, hoewel zij een ge­meenschappelijke wortel heb­ben in het anti-materialisti­sche denken van de 19e eeuw. In de beginperiode van de TV werden de meeste leden uit spiritualistische kringen gere­kruteerd, en hielden HPB en Olcott zich uitvoerig bezig met het testen van mediums (zie Theosofia april 1978, p.72 e.v.).

Uit de gesprekken na de lezing bleek, dat de spiritisten graag meer contact zouden willen hebben met theosofen. Zij dachten van theosofen veel te kunnen leren wat betreft de kennis van de hogere gebie­den, terwijl de theosofen, die huns inziens veel te theore­tisch ingesteld zijn, van hen zouden kunnen leren, hoe je praktische ervaring op para­normaal gebied kunt krijgen.

Het idee dat alle verschijnsele­n op seances door overledenen veroorzaakt zouden worden, hebben ze allang laten varen - uiteraard niet het idee dat contact met overledenen mogelijk is. Er waren onlangs bijvoorbeeld experimenten met psychometrie gedaan. Een gemeenschappelijke interesse van theosofen en spiritisten zou ook reïncarnatieonderzoek kunnen zijn, waarover tegenwoordig zov­eel boeiende en betrouwbare literatuur verschijnt. Deze Alkmaarse groep spiritisten was vertrouwd met de gedachte aan reïncarnatie.

Ik wil hier nog even voortbord­uren op wat die avond in de discussie naar voren kwam. Het was vooral de misleiden­de "schil" -theorie, die de spiritisten tegen de theosofen in het harnas heeft gejaagd. Mevr. Blavatsky had herhaal­delijk de mening geventileerd, dat op seances de lege schadu­wen van overledenen werden gematerialiseerd, de umbrae of simulacra, die bestaan uit aardgebonden passies, ondeugden en wereldse gedach­ten, een residu van de vroegere persoonlijkheid - alles wat niet met de bevrijde ziel en geest mee kon en gedoemd was in de aardse atmosfeer te ontbinden, een soort astrale lijken dus. Daarom keerde zij zich fel tegen de spiritualisten die zij eerst met zoveel verve had gesteund.

A.P. Sinnett, de ontvanger van de Mahatma Letters, wees er in 1913 op (in de 2e editie van de lncidents in the Life of Madame Blavatsky, p.141), dat de overledenen een veel langere tijd op het astraal ge­bied doorbrengen dan aan­vankelijk werd aangenomen. Daardoor is de mogelijkheid van contact wel degelijk aan­wezig. In de begintijd van de TV voelden we ons, aldus Sinnett, vooral aangetrokken tot de bestudering van het weidse panorama van de menselijke evolutie - bollen, rondtes en rassen, en niet zozeer tot de bestudering van onze onmiddellijke toekomst op het astraal gebied. Daarmee leken we op de man die zo geabsorbeerd naar de sterrenhemel keek dat hij in een sloot liep. Het is de latere, door onder­zoek verzamelde kennis van het astraal gebied en de hoge­re gebieden in het algemeen, die ook van groot nut kan zijn voor spiritisten.

Verder wijst Sinnett op het verdienstelijke werk van de spiritisten, waardoor miljoe­nen overtuigd zijn geraakt van een leven na de dood (Collected Fruits of Occult Teaching, Londen 1919, p.153). Bovendien weet hij te vertellen dat een Meester, die hij met de initiaal "H." aan­duidt, de spiritualistische be­weging inspireerde. Overigens had ook HPB tegen Olcott ge­zegd, dat de Broederschap van Adepten achter het spiri­tualisme stond om de lacunes in onze kennis aan te tonen en de mensen attent te maken op een leven na de dood, d.w.z. op vormen van bewustzijn buiten het stoffelijk lichaam. Uit dien hoofde vond Sinnett het een kwalijke zaak dat vele theosofen zich denigrerend uitlieten over het spiritua­lisme, over mediums en sean­ces.

Naast reïncarnatie-onderzoek zou een reden voor samenwer­king kunnen zijn de dringen­de noodzaak maatstaven te ontwikkelen om langs para­normale weg verkregen "boodschappen" op hun au­thenticiteit te kunnen toetsen.

Er verschijnt op het ogenblik een stroom van literatuur on­der de namen van Koot Hoorni, El Morya, Serapis Bey en Djual Khool , die tele­pathisch ontvangen heet te zijn en in werkelijkheid bestaat uit opgeklopte gemeenplaatsen en idealistisch gezwam.

Hoe kun je checken of de in­spiratiestroom inderdaad van een Meester afkomstig is? De spiritisten hebben de indruk dat veel van de door onze "Groten" geclaimde inspira­tie, gezien de feilbaarheid van de aldus gedane uitspraken, niet zozeer van zeer hoge we­zens afkomstig geweest zal zijn, als wel van overledenen die in dezelfde onderwerpen geïnteresseerd waren en een band met de ontvangers had­den. Zelfs in de tijd van mevr. Blavatsky, die geïnspireerd werd, naar haar zeggen, door levende Adepten, was er in elk geval één uitzondering: de Platonist Henry More. Vol­gens O1cott (ODL, TPH 1941, p.238 e.v.) was hij een van de inspirators van Isis Ontsluierd en zó verdiept in zijn studies, dat hij vergat een nieuwe in­carnatie te plannen.

Maar ook als het om een au­thentieke inspiratie uit hogere regionen gaat, is bij het be­oordelen een moeilijkheid, dat de ervaring vorm aan­neemt in de psyche van de ontvanger en daardoor wordt gekleurd. In een van de nieuwtestamentische apocrie­fen, de Handelingen van Pe­trus, komt Petrus in een bij­eenkomst te spreken over zijn schouwen van de Gedaanteve­randering op de berg Tabor (Mattheüs 17, 1-13) en eigen­lijk weet hij hierover niets an­ders te zeggen dan: Talem enim vidi qualem capere potui (Ik zag hem in een zodanige vorm als ik in staat was in mij op te nemen). Bij deze bijeen­komst zijn een paar weduwen aanwezig, blind en ongelovig van hart. De apostel maant hen in hun geest te zien wat zij niet met hun ogen kunnen zien. De vergadering verzinkt in gebed en plotseling wordt de zaal overstroomd met een schitterend licht; het lijkt niet op daglicht, maar het is een onzegbaar, onzichtbaar licht. En dit stralende "onzichtbare licht" schijnt in de ogen van deze vrouwen die rechtop staan te midden van de neer­geknielde menigte. Als hun la­ter gevraagd wordt wat ze ge­zien hebben, zegt de een: een grijsaard, de ander: een jonge man, en weer een ander: een kind dat haar ogen zachtjes aangeraakt en geopend had (M.R. James, The Apocryp­hal New Testament, Oxford 1950, p.321/322).

Dit voorbeeld staat niet al­leen. In de Handelingen van Johannes wordt het roepings­visioen van Johannes en Ja­kobus als volgt beschreven. Beiden hadden de hele nacht in hun boot op het meer gevist en bij hun terugkeer zien ze op de oever iemand die hen wenkt. Maar hun visies ver­schillen: de een ziet een kind, de ander een aardige, knappe man, voornaam van optreden (James, p.251). Het visioen van een bovenzinnelijk licht of van Christus neemt dus een individuele gestalte aan in de psyche van de ontvangers. Men kan zich ook voorstellen dat, naarmate er een transfor­matie van het bewustzijn plaatsvindt, de beelden waarin het contact met het numineuze, het mysterium te­mendum, vorm krijgt, een ontwikkeling vertonen.

Hieruit valt af te leiden dat we door bepaalde beelden heen moeten leren zien om de ervaring die erachter ligt, te ontdekken en aan te voelen.

Wat betreft telepathisch of door uittreding ontvangen 'boodschappen” of informaties kunnen we vooralsnog het beste ons gezond verstand laten werken. Belangrijk is de inhoud van de boodschap, niet de kleur van de vormgeving, of de geclaimde onfeilbaarheid van de doorgever of de bron (zie Theosofia april 1977, p. 52 e.v.).

Het bovenstaande in aanmerking genomen, lijkt het mij toe dat er een vruchtbaar terrein voor samenwerking van theosofen en spiritisten zou kunnen liggen in het evalueren van bovenzinnelijke ervaringen en het ontwikkelen van maatstaven om telepathisch ontvangen communicaties aan te toetsen.

Redactioneel commentaar

Zoals ik het begrijp zijn er minstens drie redenen waarom over het geheel genomen het verder bewust ontwikkelen van helderziendheid en dergelijke vermogens afgeraden wordt. De eerste van die redenen hebben te maken met het feit dat wat waargenomen wordt doorgaans niet van erg hoogstaande kwaliteit is. Zoals mevrouw Heijboer ook al aan geeft: wat waargenomen wordt is afhankelijk van het bewustzijn van degene die waar neemt. Dan is het dus eerst zaak de waarnemer te zuiveren (of zelfs op te lossen!) en dan pas met het onderzoeken van onbekende gebieden bezig te gaan. Ten tweede kan het ontwikkelen van helderziende vermogens leiden tot een eenzijdige ontwikkeling. Om dit te voorkomen raadt men doorgaans aan dit soort vermogens te laten komen als ze komen en er niet actief voor te werken. Er zijn belangrijker dingen in de wereld dan het waarnemen van aura's en dergelijke. De derde reden is dat we nogal op een zijspoor kunnen raken als we te veel gefascineerd worden door dat wat zich op astraal niveau afspeelt. 'Zoek je guru niet op die illusoire niveau's' - Blavatsky in de Stem van de Stilte (Vrij vertaald). Uiteindelijk is wijsheid de vrucht van een juist leven, een juiste motivatie en een rein denkvermogen. Wie te veel energie stopt in spiritueel touristje spelen, kan niet verwachten dat werkelijke wijsheid op zijn pad komt. - redactie


Gehoord tijdens een 'Morning-talk' (St. Michaels House) *)

Anoniem, Theosofia, Augustus 1993, p. 152

Een oude Chinese vrouw hoorde dat één van haar vrienden op zakenreis naar India zou gaan en verzocht hem één van Boeddha's tanden voor haar mee te brengen. De handelsman reisde naar India maar vergat het verzoek van de oude vrouw volkomen en herinnerde het zich pas toen hij weer bijna thuis was. Hij zag een dode hond aan de kant van de weg liggen en trok hem een tand uit en gaf die aan de oude vrouw als reisgeschenk uit India. De oude vrouw was er buitengewoon blij mee, bouwde een schrijn voor de tand en samen met haar vrienden bad zij dagelijks daarvoor. Na enige tijd begon de tand te glanzen en een opvallend licht uit te stralen. Zelfs toen de handelaar haar verklaarde dat het niets dan een hondetand was, duurde het stralen van de tand voort, zo sterk was het geloof en de overgave van de oude vrouw.
*) In St. Michael’s House (voorheen het landhuis ‘De Duinen’) te Naarden is sinds 1925 het ITC (Internationaal Theosofisch Centrum) gevestigd. Er zijn nog drie ITC’s: in Adyar, India (hoofdkwartier), Krotona, Californië en in Sidney, Australië.
Meer over St. Michael’s House en over de Nederlandse (en Indiase) ITC is bijv. te lezen in ‘...een kern van broederschap...’ 100 jaar Theosofische Vereniging in Nederland 1897 – 1997 door Ruud Jansen, TVN, A’dam 1997, hfst. 25 De TVN en het ITC Hierin ook aandacht voor de geschiedenis van het huis.
Het ITC heeft tegenwoordig een website: http://www.itc-naarden.org/

Het archief van Hermes7