In deze aflevering van Hermes7 de eerste in een serie van citaten uit de Yoga Suttras van Patanjali met uitleg van I.K. Taimni. Ik probeer in deze serie de essentie van het pad van yoga naar boven te krijgen. Verder is deze aflevering misschien wat zwaar voor een zomerse dag. Niets aan te doen.
Het leven van de mens ligt in zijn eigen handen.
Zijn
lot wordt door hemzelf bepaald.
Logica brengt je van A naar B, verbeelding brengt je overal.
Beter inderdaad is wijsheid dan constante oefening;
beter dan wijsheid, is meditatie;
beter dan meditatie, verzaking van de gevolgen van handeling;
op verzaking volgt vrede.
Richard Rose, een onafhankelijke spiritueel leraar, is overleden op 6 juli jongstleden. De Tat-foundation heeft de afgelopen jaren zijn werk verspreid, omdat hij dat niet meer zelf kon: hij was dement geworden.
Londen was een drukke stad in het weekend van 2 en 3 juli
jongstleden. Er was Liveaid, een concert dat de aandacht vestigde op de
arme landen, ten behoeve van de G8-conferentie, er was een gay-parade
en er was een conferentie over theosofische geschiedenis. Een paar
dagen later gingen de eerste bommen af in de ondergrondse.
Dat was de context, nu de inhoud: Kim Farnell opende de conferentie
met een samenvatting van haar onderzoek naar Bulwer Lytton. Hij is
onder theosofen vooral bekend om zijn occulte verhaal 'Zanoni'. Mevrouw
Farnell begon met de vraag of Bulwer Lytton wel een occult leven had.
Misschien lazen theosofen en andere occultisten wel meer in zijn
verhaal dan er in zat? De conclusie was al snel: ja, Bulwer Lytton had
wel degelijk een occult leven. De spreekster ging alle soorten
occultisme af die in zijn tijd speelden en in elk van de gevallen bleek
hij er inderdaad mee te maken gehad te hebben. Zijn kennis van de
astrologie bijvoorbeeld was niet oppervlakkig.
Vervolgens was er een Mead-symposium. G.R.S. Mead is onder theosofen
vooral bekend als secretaris van H.P. Blavatsky en editor van de
Theosophical Glossary waar HPB's naam op staat. Na haar dood echter
bleef hij met theosofie bezig. Hij is zelfs gevraagd om zich candidaat
te stellen voor het presidentschap van de Theosofische Vereniging, na
de dood van Kolonel Olcott. Dit wees hij af. G.R.S. Mead was editor van
Lucifer na Blavatsky's dood en hernoemde het tijdschrift the Theosophical Review.
Naar aanleiding van de Leadbeater case verliet hij, met vele anderen,
in 1909 de Theosofische Vereniging. Hij richtte de Quest-society op
waar mensen als Evelyn Underhill en andere grote namen bij elkaar
kwamen om gedachten uit te wisselen en lezingen te houden. Zijn vele
boeken over gnostiek en aanverwante onderwerpen zijn nog steeds
waardevol. De belangrijkste blijven ook in druk. Nicholas
Goodrick-Clarke ging in op de invloed van Mead op Jung. Zijn vrouw
Clare, wiens boek over G.R.S. Mead dit jaar uit zal komen gaf een
samenvatting van zijn leven.
Robert Gilbert vergeleek het werk van G.R.S. Mead met dat van zijn
collega in de Quest-society A.E. Waite. Ondanks hun heel verschillende
voorkeuren en achtergrond waren hun centrale ideeën heel
vergelijkbaar.
Na de lunch ging Patrick Deveney in op de controversiele vraag wat
we kunnen leren van de occulte vijanden van de Theosofische Vereniging.
De centrale idee was dat in het begin het doel voor theosofen was zo
lang mogelijk te leven. Het artikel 'The Elixir of Life' is hier een
laat voorbeeld van. Het commentaar van Blavatsky op dit artikel geeft
al aan dat dit ideaal niet meer centraal staat. Deveney ging zover om
te zeggen dat dit ideaal volledig verlaten is en niet goed is in te
passen in de latere leringen van Blavatsky. Een van zijn argumenten was
dat de Theosophical Society nooit zo snel zou zijn gegroeid en zoveel
opschudding zou hebben veroorzaakt als het alleen een plek was geweest
om occulte leringen te bestuderen. Er moet ook een ervaring geweest
zijn die men op kon doen. Deveney citeerde Blavatsky in een
krantenartikel en stelde dat Olcott de verandering te groot vond om te
begrijpen. Voor de volledigheid: de latere lering is dat het fysieke
lichaam niet van veel belang is en de de strijd om het leven een van de
oorzaken van de problemen van de mensheid is.
Vervolgens gaf ondergetekende een powerpoint presentatie over het
Theosofisch Zegel. Voor hen die het programma gelezen hebben wil ik
kwijt dat ik niet langer voorzitter ben van loge Groningen, aangezien
ik naar Leiden verhuisd ben. Ik ben wel nog steeds officieel lid van
die loge en beheer haar website.
Jack de Ripper komt zo af en toe langs in de studie van theosofische
geschiedenis. Mabel Collins bijvoorbeeld geloofde dat zij met hem heeft
samen geleefd (zie links hieronder). R.J. Lees was een medium wiens
claim dat hij iets wist over de Jack de Ripper moorden nog steeds
onderdeel zijn van de Jack the Ripper-mythe.Stephen Butt vatte het leven van R.J. Lees samen met behulp van een powerpoint presentatie.
De laatste presentatie van de dag was over een onderwerp dat
nauwelijks iets met theosofie te maken heeft: Aan het eind van de 19de
eeuw was er weer aandacht voor het idee dat de aarde plat zou zijn.
Christine Garwood vertelde over Alfred Wallace die leefde van lezingen
waarin hij beweerde te kunnen bewijzen dat de aarde plat was. De
relatie met theosofische geschiedenis is vooral dat het laat zien in
welk klimaat de vroege theosofen hun werk deden. Het klimaat was zo dat
de wetenschap nog niet een zodanige autoriteit had dat iemand die goed
was met woorden en goed toneel kon spelen hele zalen kon vullen met
zijn bewering dat de aarde rond was.
De tweede dag had een lichtere toon. Het programma werd aangepast
vanwege technische moeilijkheden. Patrick Deveney las de paper voor die
Michael Gomes had opgestuurd. Dit had het vreemde effect dat de spreker
over zichzelf ging vertellen wat hij allemaal voor goeds gedaan had
voor de theosofische geschiedenis. Helemaal surreal werd het toen hij
ging voorlezen hoe veel de schrijver zelf voor theosofische
geschiedenis gedaan had. Dit deed niet af aan de waarde van het
verhaal. Ik hoop dat het ergens gepubliceerd wordt, want het is een
goede samenvatting van wat er de afgelopen jaren op dit gebied gebeurd
is.
George Young hield een verhaal over theosofische beelden in
gedichten van het Russische 'zilveren tijdperk'. De spreker las zelf
vertaalde gedichten op een gedragen toon voor. Het centrale thema was
de 'archetypische vrouw'. Het verhaal zou interessanter zijn geweest,
vond ik, als zou zijn uitgelegd hoe dit een theosofisch beeld was.
Kim Farnell introduceerde vervolgens haar nieuwe boek over Mabel
Collins. Een boekverslag hiervan is in Lucifer7 voor deze maand
verschenen. Het is een boeiend en controversieel boek. Jean
Overton Fuller vertelde vervolgens het een en ander over de controverse
rond de verschillen tussen de leringen van Leadbeater en Besant en die
van Blavatsky. Samengevat: hoewel de 'back to Blavatsky' beweging haar
plek had, is het ook overdreven alle boeken van Besant en Leadbeater af
te schrijven. Zij hebben een unieke bijdrage geleverd.
Mike Hall sloot de conferentie af met een verhaal over Mozart,
synchroniciteit en de oude Egyptenaren. Dit was een interessante
lezing, maar niet een die heel goed in het thema van 'theosofische
geschiedenis' paste. Het verhaal was niet op academisch niveau. Hall
merkte bijvoorbeeld niet op dat Mozart tot de eerste generatie
vrijmetselaars behoorde, en nam de claim dat de vrijmetselaars terug
gaan tot de oude mysterien zonder commentaar over. Zijn specialiteit
leek te zijn de relatie tussen de muziek van Mozart en alternatieve
geneeswijzen. Dit thema zou erg geschikt zijn geweest voor een loge
bijeenkomst of iets dergelijks.
Al met al was het een interessante conferentie met een goede sfeer.
Blavatsky had het wijze advies dat de theosoof zich niet met
politiek moest bemoeien. Na vorige maand begrijp ik een beetje waarom:
schijn regeert. Ik had het verwijt over genomen dat de Nederlanders in
Srebreniza niet de mogelijkheden gebruikten die ze hadden om de Moslims
onder hun hoede te verdedigen. Intussen blijkt dat de militairen niet
alleen weinig wapens hadden, maar ook nog eens niet de opdracht hadden
daadwerkelijk te vechten. De opdracht was om aanwezig te zijn. De VN hoopte dat de aanwezigheid
van militairen genoeg zou zijn om vrede te brengen. De opdracht was
heel expliciet niet: vecht voor vrede. Tja - dan vergt het een heel
moedige officier om toch te zeggen: laad de kanonnen, we gaan deze
mensen koste wat het kost verdedigen...
Hoe kun je de lucht kopen of verkopen.Zo af en toe komt er een boek op mijn pad dat anders is. Zo ook het boek dat ik hier recenseer. Normaal gesproken lees ik boeken met een uitgesproken boodschap, of wetenschappelijke nauwkeurigheid. Vorige maand recenseerde ik hier een boek dat een verslag is uit de samenleving ( 'Dochters van Khadija' van Sytze van der Zee). Het boekje waar ik nu een paar woorden aan wijdt is van een type dat bijna gedateerd aan doet. Het is een impliciete aanklacht tegen de houding van de koloniale overheersers in Amerika. Dat hebben we eerder gehoord. Ook is het een blik op de houding van Indianen ten opzichte van hun land. Seattle was het opperhoofd van twee stammen. Hij richtte zich in 1854 tot de Amerikaanse overheid. Zowel zijn nederigheid als zijn milieubewustzijn zijn aanleiding voor de Aktie Strohalm om dit boekje uit te brengen. Jammer genoeg geeft het boekje niet al te veel details over de bronnen die gebruikt zijn voor deze uitgave. Er staan drie versies van de tekst van Seattle in, die geen van drieën de oorspronkelijke tekst blijken te zijn. Deze is namelijk niet bekend. Wel is er historische informatie over de stammen waar Seattle de leiding over had en de redenen dat de 'blanken' wonnen. Het boekje is mooi geïllustreerd en inhoudelijk spreken de volgende citaten voor zich, denk ik:
de warmte van de aarde?
als wij zelf de prikkeling van de lucht
en het kabbelen van het water niet kunnen bezitten,
hoe kunt u het dan van ons kopen?
Elk deel van deze aarde
is heilig voor mijn volk.
Elke helling, elke vallei,
elke open plek en elk bos is geheiligd
door de herinnering en
ervaring van mijn volk.
Zelfs de stenen die stom langs de kustlijn liggen,
zijn luid met de gebeurtenissen
en herinneringen
in het leven van mijn volk. (p. 82)
De God van de blanke
gaf hem de heerschappij
over de dieren, de bossen
en met een bijzondere bedoeling
ook over de rode man.
Maar wat daarachter zit
is een mysterie voor de rode man.
Wij zouden het misschien kunnen begrijpen
als we wisten waar de blanke man van droomt.
Van welke hoop en verwachting hij
zijn kinderen vertelt in de lange winteravonden.
Welke visioenen hij graveert in hun harten,
zodat zij verlangend uitzien naar de dag van morgen.
De dromen van de blanke man
zijn voor ons verborgen.
En omdat ze verborgen zijn,
zullen we onze eigen weg gaan. (p. 65)
Maar waarom zouden we zeuren?
Waarom zou ik de ondergang
van mijn volk betreuren?
Volkeren bestaan uit individuen,
niets meer. (p. 30)
Het gedrag van het denkvermogen met betrekking tot een object van contemplatie is opmerkelijk gelijk aan het gedrag van een kristal ten opzichte van gekleurd papier. Elke werkzaamheid, indruk of vooroordeel, dat het denkvermogen heeft, los van het object van contemplatie, zal een belemmering vormen voor het geheel en al ermee versmelten. Pas als het denkapparaat zichzelf als het ware geheel tot stilstand heeft gebracht en zijn eigen onafhankelijkheid en identiteit heeft teniet gedaan, kan het zich assimileren aan het object van contemplatie en de glans uitstralen van de zuivere waarheid, die als iets heiligs in dat object besloten ligt.
Laat ons even de diverse factoren nagaan, die dit proces van assimilatie in de weg staan. Allereerst zijn er de verschillende neigingen, waarvan enkele haast instinctief van aard zijn, en die verlenen het denkvermogen sterke vooroordelen en maken dat het op natuurlijke wijze en krachtig is langs bepaalde, voorbeschikte wegen. Zulke tendensen zijn bijvoorbeeld de neiging om bezittingen te vergaren, zich aan allerlei genietingen over te geven en toe te geven aan dingen die ons aantrekken en af te weren wat ons tegenstaat. Dergelijke tendensen, die voortkomen uit allerlei begeerten, tonen de neiging om overeenkomstig hun eigen geaardheid, mentale beeldvoorstellingen en verlokkingen op te roepen in het denken. Al dergelijke tendensen moet de leerling uit zijn denken trachten te bannen door de beoefening van Yama, Niyama en Vairagya.
Yoga Suttras van Patanjali, met commentaar van I.K. Taimni, uitgegeven door de Uitgeverij Theosofische Vereniging Nederland; Engelse eerste druk 1965.
In het land Kanaän leefde eens een man, Reprobus genaamd. Van bij zijn geboorte was hij erg groot en heel lelijk. Omdat zijn ouders vonden dat hij niet om aan te zien was kreeg hij van hen de naam Reprobus wat uitgestotene, verworpene betekent, hij die niet mag meedoen. Groot geworden kreeg hij de gestalte van een reus en was geweldig sterk. Maar hij werd door iedereen uitgelachen en beschimpt. Vaak zei hij bij zichzelf dat hij niet langer Reprobus wilde heten, hij wilde dat hij vrienden had. En hij besloot om dienaar te worden van de machtigste koning. Zo hoopte hij dat hij niet langer uitgestoten werd. De koning van zijn land wilde hem graag als dienaar hebben, want hij verzette het werk van vele arbeiders en in de oorlog was hij een machtig strijder. Reprobus had echter besloten alleen de grootste onder de koningen te dienen . Hij trok door vele rijken tot hij de koning gevonden had van wie de mensen zeiden dat hij de machtigste was. Deze koning zag de reusachtige man voor zijn troon verschijnen en nam hem met vreugde in dienst, want koningen kunnen sterke dienaren altijd goed gebruiken. Zo werkte Reprobus daar tot op een dag dat er 's avonds een feest gehouden werd in het paleis. Ook hij mocht er bij zijn. Nadat er veel gegeten en gedronken was, trad er een zanger op, die bij het spel van zijn luit een verhaal vertelde. Het was een spannende geschiedenis, waar iedereen stil naar zat te luisteren. Reprobus echter zag, dat de koning onder het verhaal soms een kruis sloeg en ook merkte hij dat de koning dat deed, elke keer als de verteller het over de duivel had. Was hij soms ergens bang voor?
Toen het feest afgelopen was, ging hij naar de koning toe en vroeg hem waarom hij dit had gedaan. De koning wilde hierop geen antwoord geven. Reprobus echter zei, dat hij het wilde weten en dat hij de koning niet kon blijven dienen, wanneer hij hem dit niet vertellen wilde. Zo moest de koning wel bekennen, dat hij angst had voor de duivel en zich tegen hem wilde beschermen met het teken van het kruis. 'Dus de duivel is machtiger dan jij?' vroeg Reprobus. Ja, dat moest de koning wel toegeven. 'Dan kan ik je niet verder dienen', zei Reprobus, 'want ik wil aan de machtigste heerser mijn diensten aanbieden.' Zo zei hij de koning vaarwel en ging op zoek naar de duivel.
Het duurde niet lang tot hij in een kaal verlaten gebied kwam. Er liep een bochtige weg tussen zandheuvels door en opeens stond een groep ridders voor hem, waarvan er één erg woest en afschrikwekkend uitzag. Deze kwam op hem toe en vroeg hem wat hij wilde. 'Ik zoek de heer Duivel', antwoordde Reprobus. 'Dan ben je aan het goede adres', antwoordde de ridder, 'want dat ben ik zelf. Wat wil je van me?' 'Ik wil de sterkste heer dienen', zei Reprobus,en ik begrijp dat jij de sterkste bent.' 'Zeker, zeker', grijnsde de ridder, 'kom maar met me mee.' Zo volgde Reprobus de duivel, maar kort daarop liepen zij beiden over een brede rechte weg toen de duivel aan de zijkant een kruis zag staan. Hij kromp ineen, boog van de weg af en klauterde met Reprobus over rotsen en kronkelpaden tot hij een stuk verderop de hoofdweg weer bereikte. 'Zeg eens', zei Reprobus, 'waarom maakte je die omweg? Had je ergens last van?' 'Ik, ergens last van, hoe kom je erbij', riep de duivel, maar terwijl ze doorliepen oogde hij wel naar links en naar rechts van de weg of er niet misschien weer zo'n kruis stond. 'Je was bang voor dat kruis', zei Reprobus, 'hoe komt dat?' Nu kon de duivel er niet meer omheen en moest toegeven dat het kruis het teken is van Christus en dat hij dat teken niet verdragen kon. 'Dan is Christus sterker dan jij', stelde Reprobus vast, 'en omdat ik de sterkste heer wil dienen, zeg ik je mijn dienst op. Ik ga Christus zoeken.' Bij het woord Christus trok de duivel een zuur gezicht, keek schichtig om zich heen en maakte dat hij weg kwam.
Reprobus vervolgde zijn pad en moest nu lang zoeken tot hij bij een eenzame kluizenaar kwam. 'Die moet je kunnen helpen', hadden de mensen gezegd. De kluizenaar zag de machtige Reprobus aankomen. Hij opende de deur van zijn huisje en liet hem binnen. Diep bukkend ging hij door de deuropening en zette zich op wat stro dat er lag, met zijn rug tegen de wand van de hut. 'Wanneer je Christus wilt vinden, moet je wel veel vasten', zei de kluizenaar. 'Vasten?' antwoordde Reprobus verontrust, en hij ging rechtop zitten tegen de wand, dat het hutje kraakte, 'dat kan ik niet.' 'Ook moet je veel bidden', voegde de kluizenaar eraan toe. 'Van bidden heb ik nooit gehoord', zuchtte Reprobus, 'ik wil Christus dienen, ik wil wat doen!' Daarover moest de kluizenaar nadenken, maar na enige tijd beduidde hij hem, dat hij mee naar buiten moest komen. Daar wees hij met de hand op het dal, waar je in de verte de rivier kon horen bruisen. 'Daar beneden', zei hij, 'daar bevindt zich de rivier, waar vaak reizigers naar de overkant willen. Er is echter geen brug en het water stroomt zo wild, dat er al velen in zijn omgekomen. Je bent zo groot en sterk, dat je de mensen over zou kunnen dragen. Wanneer je dat lang genoeg doet, dan zal eens ook Christus onder de reizigers zijn. Zo zul je hem kunnen ontmoeten.' Dat leek Reprobus een goede raad te zijn.
Hij liep de heuvel af naar de rivier. Die bruiste erg wild, maar hij was niet bang. Hij bouwde aan de oever een hut om in te wonen. Ook nam hij een sterke rechte staf als steun bij de overtocht en begon zo aan zijn taak. Vele jaren bracht hij reizigers over de rivier en ze kwamen altijd veilig aan de overzijde. Niets was hem teveel en hij nam dankbaar aan wat de mensen hem voor zijn diensten wilden geven. Als hij ongeduldig of teleurgesteld was, dat het zo lang duurde tot hij Christus ontmoeten mocht, troostte hem de kluizenaar en zei hem er mee door te gaan en vol te houden.
En zo gebeurde het ten slotte na vele jaren, toen Reprobus uitrustte in zijn hut, dat hij buiten een kinderstem hoorde roepen: 'Kom naar buiten en zet me over!' Hij ging zijn hut uit, keek naar links en naar rechts maar zag niemand. Toen ging hij weer naar binnen. Weer echter klonk dezelfde stem die hem riep; maar weer vond hij niemand. Toen hij de stem voor de derde keer hoorde en weer gehoorzaam naar buiten ging om te zien wie het was die hem riep, zag hij een kind staan dat hem vroeg hem over de rivier te dragen. Reprobus zette het kind op zijn schouders, nam de staf en begon aan de overtocht. Maar toen hij het water inging, zwol de rivier aan, het water steeg hoger en hoger en het kind werd zo zwaar als lood . Hoe verder hij de rivier inliep hoe hoger het water steeg en hoe zwaarder het kind hem op de schouders drukte. Ja hij vreesde te moeten verdrinken toen hij door het midden van de rivier waadde. Toen hij in grote nood en met inspanning van al zijn kracht de andere oever had bereikt, zette hij het kind neer en zei tegen hem: 'Je hebt me in groot gevaar gebracht. Je was zo zwaar dat de hele wereld niet méér had kunnen wegen dan jij.' Het kind antwoordde: 'Daarover hoef je niet verwonderd te zijn, Reprobus; want je hebt niet alleen de wereld op je schouders gedragen, maar ook hem, die de wereld geschapen heeft. Weet nu, dat ik Christus ben, je koning, die je met dit werk dient. En omdat je mij hebt gedragen, zal je een nieuwe naam krijgen. Tot nu toe heette je Reprobus, wat "drager" betekent. Van nu af aan zul je Christophorus zeg maar Christoffel genoemd worden, wat "Christusdrager" betekent. Opdat je kunt zien, dat ik de waarheid spreek, vraag ik je, je staf te nemen en hem aan de overzijde bij je thuiskomst in de grond te zetten. Hij zal de volgende ochtend bladeren en vruchten dragen.'
Na deze woorden
verdween het kind voor zijn ogen. Christoffel echter ging terug door
de rivier. Bij zijn hut aangekomen plantte hij zijn staf in de grond
en toen
hij de volgende ochtend opstond droeg hij bladeren en vruchten. Toen
wist hij dat hij een dienaar van de grootste koning was geworden.